Top

Jan-van-genten: vogels van de zee

Gebouwd voor wind, golven en duikvluchten

Tekst: Marcel Boer | Beeld: Annemarie Edam

Jan-van-genten behoren tot de orde Suliformes en de familie Sulidae. Tot die familie behoren drie geslachten, waaronder het geslacht Morus met tien verschillende soorten. Genten worden ook wel rotspelikanen genoemd, zoals de bekende jan-van-gent, Morus bassanus.

Ze komen wereldwijd langs rotskusten voor en brengen, behalve in de broedtijd, hun hele leven op zee door. Het zijn grote zeevogels met een torpedovormig lichaam en een dicht verenkleed. Hun lange, forse snavel heeft gekartelde randen.

Ze hebben zwemvliezen tussen alle vier de tenen, lange puntige vleugels en kunnen uitstekend vliegen en duiken. Opvallend is dat genten geen uitwendige neusgaten hebben. Daardoor stroomt bij stootduiken geen water naar binnen. De versterkte schedel en luchtzakken onder de huid van de kop vangen bij het duiken de klap van het water op.

Keilend over de golven

De jan-van-gent is een grote witte zeevogel met zwarte punten aan lange, smalle vleugels. Hij heeft een gelige kop, een lange hals, een dolkachtige snavel, zwarte poten met zwemvliezen en een puntige staart. Fraai zijn de lichte ogen met blauwe oogring. Eerstejaars vogels zijn nog geheel grijsbruin gevlekt. Daarna wordt het verenkleed elk jaar witter, totdat in het vijfde of zesde jaar het volwassen kleed is bereikt. Door hun flinke gewicht kunnen jan-van-genten moeilijk landen en nog moeilijker opstijgen. Daarvoor hebben ze wind onder de vleugels nodig, iets wat bij steile rotskusten meestal geen probleem is.

Tijdens de voedselvlucht vliegen ze laag boven zee, met snelle, ondiepe vleugelslagen en korte glijpauzes. Bij harde wind vliegen ze ‘keilend’, gedragen door de opwaartse druk van de golven. Hun jacht is spectaculair: van tientallen meters hoogte duiken ze met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur als een speer loodrecht de zee in, waarbij de vleugels vlak boven het water worden samengevouwen. De soort wordt ongeveer 90 centimeter lang, heeft een spanwijdte van 180 centimeter en kan maximaal twintig jaar oud worden. Op zee zijn jan-van-genten tamelijk zwijgzaam, maar in broedkolonies klinkt voortdurend een blaffend ‘arrah’.

jan-van-genten

Jagers op vis

Jan-van-genten vliegen scholen vis achterna met naar voren gerichte ogen. Ze jagen zowel alleen als in groepen, vooral op zandspiering, makreel, haring en pollak van 2,5 tot 30 centimeter. Van 10 tot 40 meter hoogte duiken ze steil het water in, tot wel 25 meter diep. Onder water volgen ze de vis en slikken die direct in, zodat meeuwen de buit niet kunnen kapen wanneer ze weer boven komen. Ze duiken ook wel zwemmend vanaf het wateroppervlak. De vogels zwerven over het hele continentale plat en komen zelden verder dan 200 kilometer van de kust. Volwassen vogels foerageren jaar in jaar uit op dezelfde plekken die ze als jonge vogels hebben ontdekt. Alleen als een broedsel mislukt, gaan ze op zoek naar een ander foerageergebied. Vooral onvolwassen vogels zwerven tot voor de West-Afrikaanse kust.

Jan-van-genten Broeden op rotskusten

Jan-van-genten brengen hun leven op zee door, behalve wanneer ze gaan broeden op steile, ontoegankelijke rotskusten en eilanden in de Noord-Atlantische Oceaan. In Europa broeden ze vooral bij Schotland en IJsland. Daarnaast zijn er kolonies op de Kanaaleilanden voor de Franse kust en in Noorwegen. Groot-Brittannië herbergt driekwart van de Europese broedpopulatie, met de grootste concentratie in West-Schotland, onder meer op St. Kilda met meer dan 10.000 vogels. Ook zijn er kolonies voor de noordkust van Bretagne en op Helgoland in Duitsland.

Buiten het broedseizoen overwinteren ze op zee en zijn ze talrijk voor de Nederlandse kust, met 3.500 tot 12.000 vogels. In de zomer gaat het om enkele duizenden, maar tijdens de najaarstrek van september tot november trekken tienduizenden vogels langs de Wadden- en Noordzeekust. Heel soms worden na stormen enkele vogels in het binnenland gezien.

Broeden met de zwemvliezen

Jan-van-genten vormen paren voor het leven en broeden in kleine of zeer grote kolonies, op slechts 60 tot 80 centimeter van elkaar. De grootste kolonie ligt op Bonaventure Island bij Canada met 60.000 paar. Op het IJslandse eiland Eldey nestelen 35.000 paar.

Het verhoogde nest bestaat meestal uit zeewier, planten en veren. Beide vogels bebroeden het ene lichtblauwe ei 44 dagen met gekruiste zwemvliezen over het ei heen. Gaat het ei verloren, dan wordt een nieuw ei gelegd. De jongen krijgen uitgebraakt voedsel uit de slokdarm van beide oudervogels. De geheel bruine jongen wegen ongeveer vier kilo. Na drie maanden verlaten ze het nest en springen, hoewel ze nog niet kunnen vliegen, in zee. Pas na enkele weken op zee kunnen ze op een leeftijd van ongeveer 100 dagen goed vliegen. Als ze na vier tot vijf jaar volwassen zijn, keren ze terug naar hun geboorteplaats om zelf te gaan broeden.

jan-van-genten

Kwetsbaar op zee

Jan-van-genten zijn afhankelijk van een gezonde zee en kwetsbaar voor olievervuiling. Ook overbevissing en mogelijk klimaatverandering kunnen de soort parten spelen. Daarnaast vormt plastic afval een groot gevaar: stukken visnet worden aangezien voor nestmateriaal, met soms fatale verstrikking tot gevolg.

Waar komt de naam vandaan?

De naam jan-van-gent is slechts gedeeltelijk te verklaren. Een ‘gent’ is een mannelijke watervogel. ‘Jan’ is waarschijnlijk een verbastering van het Keltische woord ‘ian’, dat witte haringvogel betekent. Hoewel de vogel overal beschermd is, werden tot 2000 op het Schotse eiland Sula Sgeir volgens traditie jaarlijks nog 2.000 jonge genten voor consumptie geoogst. In 1540 waren dat er nog 20.000.

Bron: Bewerkt naar tekst uit Vogelfamilies van Nederland van Marcel Boer, uitgegeven door KNNV Uitgeverij in 2020ISBN 9789050117500. Verkrijgbaar via de boekhandel en tijdens de wekelijkse vaarexcursies in Natuurmonument Het Wormer- en Jisperveld, met de auteur als gids. Inschrijven voor excursies kan bij Vogelbescherming Nederland.

Wat vindt u van dit artikel?

Marcel Boer werkte na een opleiding in landbouw en veeteelt in de bio- en levensmiddelenindustrie in Italië, Duitsland en Nederland. Hij is al zijn hele leven een enthousiaste vogelaar en sinds 2013 vogelgids bij bezoekerscentrum “De Poelboerderij” voor Vogelbescherming Nederland in het Wormer-en Jisperveld. Als medewerker van de werkgroep Roofvogels en Uilen van de Vogelwacht Zaanstreek inventariseert en beschermt hij de roofvogels en uilen in en rond dit prachtige 2300 ha grote Natura-2000 gebied. Het hele jaar organiseert Vogelbescherming vaarexcursies rond de verschillende thema’s uit de boeken met Marcel Boer als gids.